Vaststellen begeleidingsbehoefte en regime jobcoaching
Antwoorden op kennis- en leervragen door commentatoren

1. Is de werkwijzer Vaststellen Begeleidingsbehoefte correct toegepast in deze casus?

De werkwijzer Vaststellen Begeleidingsbehoefte biedt arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen een methodisch kader om de noodzaak tot begeleiding van klanten in kaart te brengen. Zo kan worden vastgesteld welke vorm van begeleiding nodig is voor een klant die nog niet in een concrete functie aan het werk is. Anders gezegd: het gaat om de aard, duur en intensiteit van de begeleiding.

Wat de werkwijzer niet kwantificeert, is de aard en de duur voor een individuele klant in een specifieke werksituatie. De werkwijzer helpt alleen bij het in kaart brengen van de begeleidingsbehoefte.

Arbeidsdeskundigen zullen zeker nut ondervinden van de toepassing van het schema uit de werkwijzer. Het is dan wel zaak dat zij het schema concreet invullen aan de hand van de ‘hulpvragen’ uit de werkwijzer. Ze moeten bijvoorbeeld duidelijk aangeven op welk gedrag de begeleiding zich moet richten. Dat komt in deze casus nog te weinig uit de verf. Er staat wel dat de klant aansturing nodig heeft, maar het is niet duidelijk met welk gedrag dit te maken heeft en hoe dit gedrag ertoe leidt dat de klant daarop moet worden aangestuurd.

2. Zijn er gevalideerde werkwijzen bekend of denkbaar om de begeleidingsbehoefte vast te stellen?

Het Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid heeft recent een onderzoek uitgevoerd naar de vaststelling van de begeleidingsbehoefte als er nog geen werkplek is gevonden. In nationale en internationale literatuur is gezocht naar instrumenten voor het vaststellen van aspecten van begeleidingsbehoefte. Naast de Leidraad Jobcoach werden nog twee instrumenten gevonden die de begeleidingsbehoefte bij arbeid in kaart kunnen brengen: de JOBS en de Vocational Assessment van Suzuki. Beide instrumenten gaan uit van een bestaande werkplek en waren daarom voor het doel van het onderzoek niet integraal bruikbaar. In deze casus is de werkplek echter wel bekend. Beide instrumenten zijn echter niet gevalideerd in de Nederlandse situatie.

Instrumenten die niet integraal de begeleidingsbehoefte vaststellen, maar die wel elementen in kaart brengen die bruikbaar zijn bij het vaststellen van de begeleidingsbehoefte, zijn de JOBS, MELBA en WHODAS 2.0. De betrouwbaarheid en validiteit van deze instrumenten is echter nog onvoldoende onderzocht voor Nederlandse situaties. Van de meeste instrumenten is namelijk geen Nederlands onderzoek naar de kwaliteit bekend. Uitzonderingen zijn de MELBA en WHODAS 2.0. Van de MELBA lieten zes items een goede interbeoordelaarsbetrouwbaarheid zien en de overige dertien items een matige tot lage interbeoordelaarsbetrouwbaarheid. Van de WHODAS 2.0 is de validiteit aangetoond. Echter, dit oordeel betreft het instrument als geheel en geldt niet bij gebruik van slechts enkele onderdelen van het instrument.

3. Welke elementen moeten bij het vaststellen van de begeleidingsbehoeftig minimaal worden gewogen om tot een goede en objectieve indicatie van de begeleidingsbehoefte te komen?

Bij het vaststellen van de begeleidingsbehoefte in een situatie zonder bekende werkplek is in het onderzoek, door middel van expertraadpleging, bepaald welke aspecten het meest belangrijk zijn. Deze 21 aspecten staan hieronder beschreven:

Aspect:

Definitie:

Vaardigheden

Kunnen volhouden

Het hebben van (fysiek en mentaal) uithoudingsvermogen om bepaalde werktaken te voltooien.

Zelfstandig handelen

Het zonder hulp en steun van anderen in staat zijn activiteiten te starten, uit te voeren en te beëindigen.

Op tijd komen

Het nakomen van (werk)afspraken.

Omgaan met tijdseisen/reageren op tijdseisen

In staat zijn om in afgesproken tijd een bepaalde hoeveelheid werk te verzetten en omgaan met daarbij horende tijdsdruk.

Randvoorwaarden

Dak boven hoofd

Een slaapplek, sanitaire voorzieningen en voldoende voeding.

Zelfredzaamheid

Het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het maatschappelijke verkeer mogelijk maken.

Ondersteunend netwerk

De visie, hulp en verwachtingen van ouders, broers, zussen en vrienden die de keuzes van een persoon beïnvloeden, zowel positief als negatief.

Persoonlijke kenmerken

Omgang met gezag

Het kunnen accepteren van instructies door mensen met formeel en informeel gezag.

Drijfveren/motivatie

Dat wat mensen beweegt in het leven en de intrinsieke motivatie om te werken.

Realiteitszin

Besef van de werkelijkheid.

Conflicthantering

Het omgaan met een conflict met anderen of tussen anderen.

Zelfinzicht

De eigen sterke kanten, zwakheden en begrenzingen kennen en deze goed kunnen inschatten.

Omgaan met anderen

Houding en gedrag ten aanzien van hoe iemand omgaat met collega’s, supervisors, klanten etc. tijdens het werk en conform de context die gebruikelijk is.

Doorzettingsvermogen

Het vermogen om vol te houden ondanks tegenslag.

Omgang met weerstand

Omgaan met tegenspraak of tegenwerking.

Cognitieve en executieve functies

Doelmatig handelen

Het gecoördineerd uitvoeren van afzonderlijke activiteiten afgestemd op het realiseren van een bekend doel.

Concentratievermogen

Zich volledig richten op verwerking van informatie uit één bron en zich afsluiten voor afleiding door informatie uit andere bronnen.

Informatieverwerking

Het verwerken van wat we met behulp van onze zintuigen waarnemen.

Begripsvermogen

De mate waarin iemand tot begrip in staat is.

Omgaan met onverwachte en nieuwe situaties

Kunnen omgaan met onverwachte veranderingen op zo’n manier dat de kwaliteit van het werk er niet onder leidt.

Geheugen

Het vermogen om dingen te herinneren.

4. Welke criteria spelen mee bij de beoordeling van het toe te passen regime bij een aanvraag jobcoaching?

Harde criteria voor het beoordelen van begeleidingsbehoefte zijn niet uit onderzoek bekend. Het is wel mogelijk om te kijken naar beoordelingsmethoden, zoals de beoordeling van arbeidsvermogen die door UWV is ontwikkeld in het kader van de Participatiewet. Deze methode is gebaseerd op de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF). Dit denkmodel (zie schema hieronder) gaat uit van onderlinge relaties en een wisselwerking tussen de componenten in het schema. Het brengt de stoornissen, beperkingen en participatieproblemen met elkaar in verband. Daarnaast demonstreert het model dat – naast de ziekte of aandoening – ook externe en persoonlijke factoren het functioneren van het individu kunnen beïnvloeden.

5. Is er een samenhang tussen criteria en begeleidingsbehoefte?

De ICF-structuur helpt om de problematiek van de klant in kaart te brengen, om te bepalen welk werk de klant nog zou kunnen, en om oplossingen aan te dragen (zoals begeleiding, een voorziening op de werkplek, training of een scholing). De ICF biedt echter geen normen of criteria; het is slechts een denkmodel. Het levert een begrijpelijke en eenduidige vorm van terminologie op tussen professionals onderling en richting de klant.

Functioneringsproblemen gaan over:

  • afwijkingen in of verlies van functies of anatomische eigenschappen (‘stoornissen’);

  • moeilijkheden bij het uitvoeren van activiteiten (‘beperkingen’);

  • participatieproblemen.

Een afwijking in een anatomische eigenschap kan leiden tot een moeilijkheid bij het uitvoeren van een activiteit, en vervolgens tot een participatieprobleem.

Daarnaast wordt het functioneren van een persoon beïnvloed door persoonlijke en externe factoren:

  • Persoonlijke factoren zijn factoren van binnenuit die geen deel uitmaken van de gezondheidstoestand van het individu.

    Voorbeelden van persoonlijke factoren zijn: leeftijd, geslacht, ervaringen, persoonlijkheid en karakter, motivatie en bekwaamheden opgedaan door opleiding. Maar het kan ook gaan om algemene lichamelijke conditie, ziektebeleving, levensstijl en levensgewoonten of opvattingen die de klant over werken heeft.

  • Onder externe factoren verstaan we factoren van buitenaf, zoals de werkplek of de woonomgeving, de verschillende relaties met andere mensen en de rollen daarbij, met de daarbij horende normen en waarden. Maar ook sociale systemen, dienstverlening en wetten en regels vallen hieronder. Ook een medische behandeling of een scholingstraject is een externe factor.

6. Zo ja, is in kaart te brengen welke criteria meer of minder invloed hebben op de begeleidingsbehoefte?

Dit vergt verder onderzoek, zowel om criteria vast te stellen als om uit te maken welke meer of minder van invloed zijn.

Bij het antwoord op het onder vraag 2 genoemde onderzoek naar begeleidingsbehoefte is bij de genoemde aspecten die van invloed zijn op begeleidingsbehoefte wel een weging aangebracht door experts.

Bij het aspect vaardigheden werden vooral werknemersvaardigheden, op tijd komen en zelfstandig handelen als belangrijk beoordeeld door de experts. Onder randvoorwaarden werd zelfredzaamheid, ondersteunend netwerk en een dak boven je hoofd als meest belangrijk beoordeeld. Bij persoonlijke kenmerken werden motivatie, onaangepast gedrag, omgaan met anderen als meest belangrijk beoordeeld.