Geobjectiveerde arbeidsdeskundige beeld-, oordeels- en besluitvorming bij het duiden van functies met het CBBS
Samenvatting

Korte situatieschets

Bij deze casus gaat het om een claimbeoordeling (eerstejaars ziektewetbeoordeling) van een jonge man met een niet-aangeboren neurologische aandoening, veroorzaakt door een herseninfarct. De maatgevende arbeid – robotlasser in drieploegendienst – is onder meer niet passend vanwege de beperking ten aanzien van de werktijden (’s avonds en ’s nachts). De arbeidsdeskundige is voorafgaand aan het spreekuur op basis van dossierstudie van oordeel dat de man beschikt over een verdiencapaciteit van ten minste 65 procent van het maatgevende loon. Na het spreekuur met de cliënt is de arbeidsdeskundige van mening dat de man helemaal nog niet beschikt over verdiencapaciteit. Overleg met de verzekeringsarts leidt niet tot een bijstelling van de eerder vastgestelde belastbaarheid. Daarop besluit de arbeidsdeskundige de functies die bij een eerste inventarisatie mogelijk geschikt leken alsnog allemaal te verwerpen op arbeidsdeskundige gronden.

Onderzoeksvraag in de oorspronkelijke casus

  • Is de cliënt geschikt voor de maatgevende arbeid?

  • Wat is de verdiencapaciteit in het kader van de eerstejaars Ziektewetbeoordeling?

  • Heeft de cliënt recht op voortzetting van de Ziektewetuitkering?

Conclusie van arbeidsdeskundige in casus

De arbeidsdeskundige acht de cliënt ongeschikt voor de maatgevende arbeid. Voor de cliënt zijn geen theoretische functies te duiden, waarmee hij meer dan 65 procent van het maatgevende inkomen kan verdienen. De Ziektewetuitkering van de cliënt wordt daarom voortgezet.

Kennis- en leervragen

  1. Welke activiteiten kan een arbeidsdeskundige uitvoeren om zijn eigen beeldvorming, naast die van de verzekeringsarts, in het kader van functieduiding met het CBBS zo objectief mogelijk te maken? Zijn daarvoor werkmethoden of hulpmiddelen beschikbaar en zo ja, welke?

  2. Zijn er toepasbare (algemene) voorwaarden of regels op basis waarvan de arbeidsdeskundige kan komen tot (meer) objectiveerbare beeldvorming, oordeelsvorming en besluitvorming? Wellicht ook bezien vanuit andere professionele beroepen? En zo ja, welke?

  3. Welk handelingskader is er voor arbeidsdeskundigen, in het kader van de claimbeoordeling en de functieduiding, als de eigen waarneming van de arbeidsmogelijkheden sterk afwijkt van de visie van de verzekeringsarts?

  4. Wie velt het oordeel als er geen consensus is tussen verzekeringsarts en arbeidsdeskundige?